Aafdragen

‘Vrigger moesde de klieër van oeër aaër briers of zisters aafdrage! Tegewoordig moede allieën nog mèr belastinge aafdrage!’ (Vroeger moest je de kleren van je oudere broers of zussen afdragen! Tegenwoordig moet je alleen nog maar belastingen afdragen!)

Vroeger gebeurde het geregeld dat je eigen kleren al ooit gedragen waren door een vorige eigenaar (lees: je oudere broer of zus), maar toch moest je jongere broer of zus later ook nog jouw kleren dragen, helemaal ‘aafdrage’ … tot ze echt versleten waren … en dan nog … dan werden ze soms nog hersteld of versteld.

Vandaag wil niemand nog de kleren van oudere broer of zus afdragen … maar ze kopen wel vlotjes “gebruikte” kledij  (soms inclusief gaten) via Vinted, 2dehands of in de Kringwinkel … Of ze kopen nieuwe “kapotte” kleren … Als het maar ‘dieër’ (duur), sorry, duurzaam is!

En als er dan nog geld over is, dragen we dat af aan de bank, om de lening terug te betalen: ‘Hoelang moede gèè nog aafdrage aan oeër haus?’ (Hoelang moet jij nog terugbetalen voor je huis?) En willen of niet, iedereen moet ook ‘aafdrage ane belastinge’ en het klinkt niet modern en zeker niet populair wat je vroeger wel eens hoorde: ‘Zijt blij dagge zoeveel belastinge moet betale … want dan verdiende ooch veel!’ (Wees blij dat je zoveel belastingen moet betalen, want dan verdien je ook veel).

Wanneer vroeger jongeren voor het eerst uit gingen werken, was het in vele gezinnen de regel dat ze hun ‘pree hielegans of toch dieëls moesten aafdrage aan hun aaërse’ (hun loon helemaal of toch gedeeltelijk moesten afgeven aan hun ouders). Kwestie van het gezin mee te ondersteunen: meestal waren er nog wel een heel aantal kinderen om te onderhouden en moeder ging niet uit werken … de meeste mensen hadden het dus niet breed. In ruil kregen de jongeren dan kost en inwoon en wat meer zakgeld. Soms moesten ze tot aan hun trouw hun ‘pree aafdrage’, soms mochten ze hem vanaf een bepaald moment houden om al te sparen voor hun getrouwd leven.

En als de kinderen dan trouwden, kregen ze allemaal evenveel mee van de ouders. ‘Vier vol vèèrze,’ herinnert een vriend zich nog, ‘… die kreeg me zister mee toen ze trauwde! En de geboeër zee nog tege pa: nie doen, wat ge gèèft oeër hieël boerderij weg, ge had toch nog jing! En ich kreeg later èveveel mee, mè dan wel in geld!’ (Vier drachtige vaarzen … die kreeg mijn zuster mee toen ze trouwde! En de buurman zei nog tegen vader: niet doen, want je geeft je hele boerderij weg, je hebt toch nog kinderen! En ik kreeg later evenveel mee, maar dan wel in geld!)

Aafdrage’ kan overigens ook “afhellen” betekenen zoals in ‘De oprit dreegt te weinig aaf neu de streut, het water blijft te veel inne baanspore steun!’ (De oprit helt te weinig af naar de straat, het water blijft te veel in de bandensporen staan!)

Nog aafdragen’:

https://www.dbnl.org/tekst/righ002eind01_01/righ002eind01_01_0014.php
https://www.ensie.nl/betekenis/afdragen

Eerste publicatie in Blikveld nr. 48 van 1 december 2023.

Louis Dingenen

Aaframmelen

‘Ge moet dè nie zoe aaframmele! Ge moet tro.ger bèèn, menneke!’ (Je moet dat niet zo snel opzeggen! Je moet trager bidden, jongen!)

Met de betekenis van ‘aaframmele’ kan je in (o.m.) het Peerder dialect twee kanten op: ‘rammel of slèèg gève’ en “iets snel en bijna onverstaanbaar opzeggen”.

In de eerste betekenis houdt ‘aaframmele’ in dat het slachtoffer niet zomaar een klap krijgt … hij krijgt echt wel een heel pak slagen. Het achtervoegsel -elen wijst bij een werkwoord op een herhaald gebeuren van iets en we noemen zo’n werkwoord een frequentatief of iteratief. In dit geval gaat het om “herhaaldelijk rammen” of “beuken”, synoniemen voor hard stoten zoals met een stormram of zoals een ram, een mannelijk schaap, dat doet! “Afranselen” zou een synoniem kunnen zijn.

In de tweede betekenis van ‘aaframmele’ zegt iemand erg haastig zijn tekst op. Iemand die voor de klas staat kan zijn tekst ‘aaframmele’ en dan hebben we het niet alleen over leerlingen die hun spreekbeurt uit het hoofd kennen en de tekst ‘aaframmele’. Het kan evenzeer gaan over leerkrachten die hun les ‘aaframmele’.

“Haastig en zonder devotie gebeden opzeggen”, zo omschreef wijlen Piet Lauwers ‘aaframmele’ in “Dat Stedeken Peer” in 2012 en hij had het specifiek over de ‘noster’, de Paternoster.

De noster aaframmelen. Vroeger gebeurde dat nogal eens in de avondwake voor een dode, drie opeenvolgende dagen voor de begrafenis,” aldus Perenaar en dialectkenner Piet Lauwers. En hij kon het weten. Je kunt natuurlijk ook andere teksten ‘aaframmele’, dat spreekt voor zich, maar als het, zoals bij het bidden, voortdurend om dezelfde teksten gaat die je moet brengen, dan is de verleiding tot ‘aaframmele’ natuurlijk erg groot. “Paternosters bidden bij een overledene heet ‘nosteren’ en soms ging het om drie paternosters na elkaar … met daarna nog de Litanie van alle heiligen,” weet een trouwe lezer-medewerker van Blikveld, “vandaar ook de uitdrukking ‘zit deu nie zoe te nostere’!”

Voor wie het niet meer weet of wist … een Paternoster of een ‘noster’ is een reeks van 50 Weesgegroetjes in 5 reeksen van 10 opgedeeld met daartussen telkens en Onzevader. Bij allerlei godsdienstige aangelegenheden werd dan zo een Paternoster gebeden … en soms waren er dat veeeel meer dan één! Je zou ze voor minder gaan aframmelen, niet? Tja, wie of wat je zou ‘aaframmele’, dat laten we liever aan de verbeelding van de lezer over!

Nog aaframmele’:

https://etymologiebank.nl/trefwoord/aframmelen

“Dat Stedeken Peer”, driemaandelijkse periodiek van de Culturele Kring Peer, 43ste jrg, nr. 4, september 2012.

Eerste publicatie in Blikveld nr. 39 van 29 september 2023.

Louis Dingenen

Aafro.pen

‘As ge vrigger weud trouwe, dan woorde drei wèke teveere al inne hoeëgmès aafgero.pe!’ (Als je vroeger wou trouwen, dan werd je (naam) drie weken vooraf al in de hoogmis afgeroepen!)

Het huwelijk is heel lang een bijna exclusieve kerkelijke aangelegenheid geweest, in die mate zelfs dat het burgerlijk huwelijk schijnbaar weinig belang had: het huwelijk in en voor de Kerk was het enige dat echt telde voor de gemeenschap. In grote steden was dat enigszins anders, maar toch … de “perceptie”, hè …

Een belangrijk onderdeel van de kerkelijke huwelijksprocedure was het nagaan of er geen bezwaren of beletsels waren tegen het bedoelde huwelijk. Daartoe werd ongeveer 40 dagen voor de eigenlijke trouw de ‘o.nnertrouw’ georganiseerd met de trouwers, de pastoor en twee getuigen. Op die manier werd de trouw ook voor de gemeenschap aangekondigd.

Daarna werden de namen van de trouwers tijdens de hoogmis van de drie zondagen voor de trouwdag vanop de ‘prèèkstoel’ door de pastoor ‘aafegro.pe’ in de kerken van de aanstaande bruid én bruidegom. In ons dialect werd dan gezegd dat bv. Jef van Thieu van Pier ‘ooch vanne prèèkstoel gevalle waas’.

Wie een bezwaar tegen het huwelijk had, moest dat dan bij de parochiepriester melden. Die drie ‘aafro.pe’ of ‘aafro.pinge’ werden ook gewoon ‘ro.pe’ (roepen) of “bannen” genoemd. Som mocht de trouw ondanks bepaalde beletsels toch doorgaan en gebruikte de pastoor in de trouwakte de Latijnse uitdrukking “cum dispensatione in bannis”, beter gekend als trouwen “met dispensatie”. De bezwaren werden dus “verbannen” zoals bv. bij het hertrouwen van een weduwe of weduwnaar of als de bruid zwanger was.

Van de trouwers werd verwacht dat ze tijdens die hoogmissen niet in de kerk aanwezig waren. Vandaag de dag worden huwelijksintenties ook nog ‘autgehange’ aan de valven van het gemeente- of stadhuis, maar het ‘aafro.pe’ bestaat niet meer. Of wel?

“Afroepen” en “afroep” kennen wij ook in het AN zoals in “de name vanne spelers woorte aafgero.pe’ (de namen van de spelers werden afgeroepen) en in “ik heb een vakantiejob op afroep”. We kennen ook “de roep om betere werkomstandigheden” en “de roep van de uil”. In het Peerder dialect kennen we ook de ‘ro.p’ van iemand in de betekenis van de faam of reputatie van iemand: ‘dè’s iemed met ‘ne slechte ro.p’ (dat is iemand met een slechte reputatie). Als iemand ‘een ro.ping’ heeft, dan wil dat zeggen dat hij of zij zich geroepen voelt om bv. priester of kloosterzuster te worden …

Niet alleen in de kerk was er een speciale plaats om info “om te roepen” of “af te roepen”, nl. de preekstoel of de kansel, maar ook buiten de kerk had je daarvoor speciale plaatsen. Dat kon een “roepsteen” zijn, naast of in de buurt van de kerk, en de koster, of iemand anders die kon lezen, bracht daar dan de “inlichtingen” van de week. Je vindt de term “roepsteen” vandaag nog terug in namen van parochiehuizen, gemeenschapshuizen etc. Later kwamen de “belleman” en nog andere omroepers om informatie naar de bevolking te brengen … maar dat is iets voor een ander stukje.

Nog meer ‘afroepen’?

Er staat bijzonder interessante info in de onderstaande links … maar het is mogelijk dat je er niet binnen geraakt!!

http://onstrees.bplaced.net/stamboom/note.php?nid=n85&ged=leyssen#:~:text=de%20roep%20Een%20voorgenomen%20huwelijk,mogelijk%20huwelijksbeletsel%20kenbaar%20te%20maken
http://www.stanny-van-grasdorff.be/webdesign/voorbeeld%20huwelijksakte.html
https://historischekringcadierenkeer.nl/publicaties/keerder-kroniek/historie/52-publicaties-keerder-kroniek/historie-links/193-gebruiken-rond-verkering-en-trouwen.html
https://www.lecavzw.be/node/590

Eerste publicatie in Blikveld nr.40 van 6 oktober 2023.

Louis Dingenen

Aarwèts

‘Ge moet met oeëren tijd meegeun, zegge de jing. Ze vinne mich aaërwèts!’ (Je moet met je tijd meegaan, zeggen de kinderen. Ze vinden mij ouderwets!)

Je bent jong en je vindt ongeveer iedereen die ouder is al snel ‘aad’, zo gaat dat. En tegelijk wil je ook dat die ‘auw’ of die ‘aa’ zich een beetje aanpassen aan de moderne tijd, niet? ‘Meegeun met oeëren tijd!’, zo heet dat dan. En wie dat niet doet wordt (o.m.) in het Peerder dialect al snel ‘aaërwèts’ genoemd: ouderwets, niet modern, niet van deze tijd. Het gaat in dit geval niet om echt  ‘aaën tril’, ‘aad geteig’ of achterhaalde machines e.d., maar om een ingesteldheid … zoals die vroeger gold. Pas heel erg wordt het als je als ‘aaëntiek’ bestempeld wordt … want dat is nog een periode of een graad ouder en helemaal achterhaald!

In “ouderwets” zit het begrip “oud” en “wet-s” betekent hier “aard, gebruik, gewoonte, mode” wat de betekenis “volgens de oude gewoontes” oplevert. Het tegenovergestelde is “nieuwerwets”, modern, maar dat begrip kennen we niet in ons dialect. Sommigen beweren dat “ouderwets” niet gaat om “oud” in de betekenis van “hoge leeftijd”, maar wel om “de oude wet”, ook al omdat vroeger nogal dikwijls “oudewets” gebruikt werd. Onder “de oude wet” wordt het Oude Testament verstaan en iemand van de oude wet is dus een degelijk, rechtschapen mens, van de oude stempel en de oude stijl. Toen het woord evolueerde tot “ouderwets” (vergrotende trap van “oud”) gebruikte men de term vooral in positieve zin, zoals voor deftige ouderwetse huizen. Die nuance is vandaag dus verdwenen, al vinden we ze nog een beetje terug in een uitdrukking als “een ouderwetse winter”!

Het valt wel op dat vandaag de dag nogal eens teruggegrepen wordt naar ‘den aaën tijd’, naar ‘vrigger’. Denk hierbij aan de retro-begrippen: mode, muziek, dans, designstijlen, kleding … Vintage spullen doen het ook goed en een veel gebruikt cliché luidt ‘dat ’t vrigger allemeul bèter waas’ en dat vind je ook terug in het cliché ‘dèè goeien aaën tijd’. Was toen alles dan zo goed en zoveel beter? Je hoort sommigen retro-romantisch wel eens verlangen naar ‘’nen aarwètse winter’ … met sneeuw, ijs en ‘veel kaa’! Echt?  Of is het nepromantiek?

Om te lachen verwijst men naar iets ‘aarwèts’ ook wel eens als iets ‘van veer d’n oorlog’, al is het niet heel duidelijk of het dan om de eerste of de tweede wereldoorlog gaat! In diezelfde context kreeg je vroeger ook wel eens een veelzeggend antwoord op de toespeling dat iemand ‘aarwèts waas’ of van ‘veer d’n oorlog’: ‘awel, gèè, ’t moes mèr es oorlog zijn, ge zeut nogal aners kalle!’ (wel, jij, als het oorlog was, zou je heel anders praten!) waarmee meteen heel duidelijk gemaakt werd dat de jongeren toen (en bij uitbreiding ook nu) het zoveel beter en vooral makkelijker hebben dan ‘onner d’n oorlog’. Wie de oorlog meegemaakt had, zei zoiets niet zomaar … natuurlijk!

Meer ‘aarwèts’: https://etymologiebank.nl/trefwoord/ouderwets

Eerste publicatie in “Blikveld” nr. 3 van 19 januari 2024.

Louis Dingenen

Alek

‘Dèè spiegel waas mich aut m’n haaën gevalle, mè hèè’s gelikkig nog allek, hèè’s nie kepot!’ (Die spiegel was mij uit de handen gevallen, maar hij is gelukkig nog heel, hij is niet stuk!)

Allek / aalek’ kennen wij o.m. in het Peerder dialect in de betekenis van “heel, intact, niet-kapot, volledig, (al)geheel”. Je hoort het woord vandaag nog maar zelden en dan nog vooral in de dialecten van Oost-Limburg. Oudere Peerder dialectsprekers gebruiken het wel nog vaak, zo blijkt. De uitspraak van ‘allek’ verschilt in bijna alle kerkdorpen: de /a/ kan kort, halflang of zelfs lang uitgesproken worden en als ze lang uitgesproken wordt, dan is de schrijfwijze met slechts één /l/ logischer (dus: ‘aalek’), anders zijn het er twee. De /e/ wordt overal dof uitgesproken.

Hier volgen een aantal voorbeeldzinnen waarin ‘allek’ gebruikt is in verschillende betekenissen van “heel” en de situaties spreken voor zichzelf. Bedenk dat je overal ook ‘aalek’ zou kunnen gebruiken i.p.v. ‘allek’.

Uit de voorbeeldzin hierboven: een spiegel of lamp die valt en niet stuk is … die is ‘nog allek’, nog “heel”, nog “intact”. ‘En asse toch kepot is, dan zijn de stikker nog allek!’ zei de leukste van de bende! (En als ze toch kapot is, dan zijn de stukken nog heel!)

‘Gèèf mich mèr ‘nen alleken appelsien inne plak van ‘nen halleve!’ (Geef mij maar een hele sinaasappel in plaats van een halve!). Of nog: ‘Leut die abrikoze vlaai nog mèr allek, misschien kome ve tau met die appele vlaai!’ (Laat die abrikozentaart nog maar heel, misschien komen we toe met die appeltaart!)

Ich hem ‘nen alleke bak bier meegebrocht, dè moet genoeg zijn!’ (Ik heb een volle bak bier meegebracht, dat moet genoeg zijn!).

‘Veer dè wèrk hadde ‘nen alleken daag noeëdig!’ (Voor dat werk heb je een volledige dag nodig!)

‘Nie snijden, dèèn tak is nog allek, leut ‘m mèr hange!’(Niet snijden, die tak is nog levend, laat hem maar hangen!)

‘Hèè hèèt niks allek geleute, deu is niks alleks mie te vinne … wa’n vernielbieëst is mich dè!’ (Hij heeft niets heel gelaten, er is niets ongeschondens meer te vinden … wat een vernielzuchtig iemand is me dat!)

Aan dèèn o.to waas gieën allek mie aan, a.l kepot!’ (Aan die auto’s was niets meer heel, alles kapot!)

Voor uitleg over de herkomst van ‘allek’ (“alijk”) verwijs ik graag naar de link van etymologiebank.nl hieronder. En oh ja, hartelijk dank aan de trouwe lezer die dit woord aangebracht heeft! ‘En as ich o.ch nog es zien, dan krijgde ’n alleke pint, ok!’ (En als ik je nog eens zie, dan krijg je een hele pint, ok!)

Nog meer alleks’:

https://www.vlaamswoordenboek.be/definities/term/alijk
https://etymologiebank.nl/trefwoord/alijk1

Eerste publicatie in “Blikveld” nr. 16 van 19 april 2024.

Louis Dingenen

Arig

 ‘Ich vielde mich vannemerrege inins zoe arig en ich bin toen ooch arig hel gevalle!’ (Ik voel mij vanmorgen ineens zo raar en ik ben toen ook erg hard gevallen!)

‘Arig’ (aardig) is een ‘arig’ (eigenaardig) woord in (o.m.) het Peerder dialect want je kunt er ‘arig wa’ (nogal wat) kanten mee op!

De tweede betekenis van “aardig” in Van Dale, is “vrij groot” en die kennen we in combinaties zoals ‘een arig groeët haus’, een vrij groot huis. Ook in de betekenis van “nogal, erg” gebruiken wij ‘arig’ zoals in: ‘Hèè kan arig wa voetballe!’

De eerste betekenis uit Van Dale vind je evenwel niet terug in ons dialect. Wij gebruiken ‘arig’ namelijk niet in de zin van “vriendelijk, een aangename indruk makend”, integendeel zelfs, er zit nogal eens een negatieve, pejoratieve, bijbetekenis in ons ‘arig’. Misschien toch een uitzondering in de afleiding ‘arighè(i)d’ in de zin ‘altijd moete wèrreke, dè is gieën arighè(i)d’ (altijd moeten werken, dat is niet leuk). In het AN kennen we een “aardigheidje” in de zin van een cadeautje, grapje, lolletje etc. Je zou dus onze dialectische ‘arighè(i)d’ ook als cadeautje of lolletje kunnen interpreteren: “Altijd moeten werken, is geen lolletje!” 

Ons ‘arig’ is meer verwant met “eigenaardig” zoals in de zin ‘een arig woord’, een “eigenaardig” woord. Van Dale legt in “eigenaardig” de klemtoon op het speciale karakter van de zaken die “eigen-aardig” zijn: je komt ze niet vaak tegen, ze zijn typisch, apart, merkwaardig en je moet eraan wennen. ‘’nen arige mins’ voldoet aan al die kenmerken, maar in ons dialect zit er toch een bijklank in die afhangt van de context en de wijze waarop de zin uitgesproken worden. Het aspect “verwondering” zit er zeker in als je ‘arig’ neutraal of positief opvat zoals in ‘’t Is ‘ne lieve, mè toch ‘nen arige!’ Anderzijds kan je de aspecten ‘zonderling, vreemd, eng, angstaanjagend’ er ook in vinden als je ‘arig’ als negatief ervaart zoals in: ‘’t Is zoe’nen arige mins, ich wit nie wa’ch moet dinke!’ (’t Is zo een vreemde man, ik weet niet wat ik moet denken!)

In die laatste betekenis is ‘arig’ synoniem van “raar” in Van Dale waar “raar” naast merkwaardig ook nog “onpasselijk, misselijk” betekent. Precies die betekenis heeft ‘arig’ ook in de zin ‘ich vielde mich zoe arig wèère’ (ik voelde mij zo misselijk worden). We zoeken in de richting van “eigenaardig” met de specifieke inhoud van “raar, ongewoon, onpasselijk, draaierig in het hoofd, …”

De combinatie van de betekenissen van ‘a(ë)rig’ die hierboven behandeld zijn, kan leiden tot gekke zinnen zoals: ‘Toch arig dat die van Blikveld nie hei zijn, want deu is aaners toch al arig wa arig volk hei vandaag!’ (Toch eigenaardig dat die van Blikveld niet hier zijn, want er is anders toch al nogal wat zonderling volk hier vandaag!)

Nog ‘arig’:

https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/aardig
https://www.vlaamswoordenboek.be/definities/term/arig
https://etymologiebank.ivdnt.org/trefwoord/aardig

Eerste publicatie in “Blikveld” nr. 42 van 14 oktober 2021.  

Louis Dingenen

As – As de as

‘Gèè met oeëren as dit en as dèt … Widde wa? As de as brèkt, dan vilt de kèèr! Pakt vast en begint eraan!’ (Jij met je als dit en als dat … Weet je wat? Als de as breekt, dan valt de kar! Pak vast en begin eraan!)

Je kent de mensen wel die het ‘groeët ko.nne autlegge’ (goed kunnen uitleggen), maar niet geneigd zijn om zelf aan het werk te gaan of om zelf te werken. Zij maken voorbehoud en uiten veronderstellingen … “als dit en als dat”, soms tot in het oneindige, en ondertussen … nemen ze geen initiatief.

Om daar een einde aan te maken en om tot de orde van de dag te komen, zeggen wij (o.m.) in het Peerder dialect: ‘As de as brèkt, dan vilt de kèèr!’ Als de (dwars)as van de (boeren)kar het begeeft, dan valt de kar door zijn as en op de grond en ‘zijde autgeboerd’ (heb je gedaan).

Deze uitdrukking gebruiken we om te zeggen dat we genoeg hebben van alle uitvluchten en excuses en dat het tijd is om aan de slag te gaan.

Nog van dat soort zegswijzen via de link:

https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0119.php

Eerste publicatie in Blikveld nr. 32 van 12 augustus 2022.

Louis Dingenen

As – In de assen vallen

‘Ve ware genoeëdigd oppe kèrmis, mè dè volt in d’asse, want ich waas zik toen ve mochte geun!’ (We waren uitgenodigd op de kermis, maar dat is niet doorgegaan, want ik was ziek toen we mochten gaan!)

De betekenis van ‘in d’asse valle’ is duidelijk: wat gepland was, gaat (jammer genoeg) niet door! Assen is het meervoud van as, hetgeen overblijft als je bv. hout of kolen verbrand hebt … verbrandingsrest dus.

De oorspronkelijke uitdrukking blijkt te zijn: “Tussen twee stoelen in de as vallen” met als betekenis: niet kunnen kiezen, de kans missen, in de problemen zitten, maar ook: er bekaaid vanaf komen. Dat laatste element vinden we (enigszins) terug in onze (o.m.) Peerder uitdrukking, want als iets (aangenaams) niet doorgaat, kom je er meestal bekaaid vanaf.

‘Dè vilt in d’èèrd’ (dat valt in de aarde) blijkt ook te bestaan in het Peerder, met dezelfde betekenis als ‘in d’asse valle’. Ze zijn beide dan synoniem van het AN “in ‘t water vallen”.

Nog ‘assen’:

https://etymologiebank.nl/trefwoord/as3

Eerste publicatie in Blikveld nr. 43 van 28 oktober 2022.

Louis Dingenen

Authalen

‘Wa hadde nau wieër autgehaald … dèèn aaën tif … jo.ng toch, brèkt oeëre nek mer nie!’ (Wat heb je nu weer bovengehaald … die oude motorfiets …. jongen toch, breek je nek maar niet!)

In ons Peerder dialect kun je zeggen dat je ‘tieën en taaner autgehaald had’ en dan weten ze nog niet wat je precies bedoelt … want ‘authale’ (uithalen) heeft verschillende betekenissen.

Je kunt iets bovenhalen of “uithalen” wat opgeborgen was, zoals in ‘ich hèm vlieës autgehaald veer vannemiddig’ (ik heb vlees uitgehaald voor vanmiddag) en dan is de kans heel groot dat je dat ingevroren vlees uit de diepvriezer gehaald hebt.

Als je zegt dat je de ‘èèr autgehaald’ hebt, dan denken de meesten spontaan aan de eieren van je eigen kippen die je vanuit het kippenhok naar binnen gebracht hebt. Toch zal een deel van de “meer ervaren” lezers (van Blikveld) ook meteen aan iets anders denken … vermoed ik.

In de jonge jaren van heel wat lezers van Blikveld was immers het leegroven van vogelnesten een van de geliefkoosde kwajongensstreken in Groot-Peer (dat toen overigens nog niet als zodanig bestond). Ze noemden dat ‘vegelnèst of nèste authale’ waarbij het niet zozeer om het nest dan wel om de eieren of liever nog … om de kick van het klimmen in de bomen en het roven van de eieren ging. Sommige eieren werden dan met een speld of naald langs boven en onder ingeprikt en … leeggeblazen … en dan maakten de “nestrovers” daar een krans mee door de lege eieren met een snoer aan elkaar te verbinden.

Boe hadde dè autgehaald?’ (waar heb je dat (idee) gehaald), vroeg moeder dan, want creatief waren ze wel, die snotneuzen die wel meer ‘toeren en streken autho.lte’ (fratsen en streken uithaalden).

‘Iets authale of iets autstèke’ was dagelijkse kost, een ‘grap authale’ was heel gewoon en als je weer eens iets ‘autgespoeëkt haad’ wat niet geweten mocht worden, dan deed je je best om het te verbergen … maar ‘dè ho.lt toch niks aut’ (dat hielp toch niet), want uiteindelijk kwam het toch uit … ‘Al moete de krèèn het autbringe, het kimt toch aut!’ zeggen ze ook in Peer, niet? Al moeten de kraaien het uitbrengen of bekend maken, het komt toch uit.

En als moeder en zus aan het breien waren, en het viel tegen, dan werd het hele breiwerkje netjes ‘autgehaald’, uiteengehaald, ontrafeld, … en kon men opnieuw beginnen, dat was dikwijls het zuiverste werk.

En als je wat ouder was, dan mocht je naar de jeugdbeweging, de sportclub en … zelfs af en toe eens uitgaan. Meestal moest je zelf en alleen rijden, maar als je geluk ‘k(w)aam iemed o.ch authale’, (kwam iemand je ophalen). Dat hield in dat iemand anders bv. met de fiets langskwam en dat je dan samen reed, ofwel dat iemand je bv. met de auto kwam ‘authale’ … dan moest je niet zelf rijden. Meestal moest je met de fiets, want, ‘boe zeun ze ‘t geld authalen om ‘nen o.tto te koeëpen op jo.nge lèèftijd, he!’ (Waar zouden ze het geld (uit)halen om een auto te kopen op jonge leeftijd!)

Nog meer authalen’:

https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/uithalen
https://www.vlaamswoordenboek.be/definities/term/uithalen

Eerste publicatie in Blikveld nr. 51 van 22 december 2023.

Louis Dingenen

Avans, avesseren en sjans

’t Is gienen avans da ve zoe blijve doordoen, ve krijge dè mesjien vandaag toch nie mieë ane gang. Koomt merrege mèr trig! (Het heeft geen zin dat we zo blijven doordoen, we krijgen die machine vandaag toch niet aan het werk. Kom morgen maar terug!)

Avans’ of ‘evans’ (met vooraan een doffe /-e/) betekent (o.m.) in het Peerder dialect “nut, zin, voordeel  …” zoals in ‘’t is gienen avans’ en ‘hèèget nog avans?’ (het heeft geen zin/nut en heeft het nog zin/nut?) In het dialect kan je ‘avans’ gebruiken in combinatie met “hebben” en “zijn”, in het AN gebruiken we “het heeft geen zin/nut “en “het is nutteloos/zinloos”. Bij uitbreiding kan ‘gienen avans’ ook gebruikt worden om aan te geven dat “iets niet gaat, je niet vooruit helpt” of “dat het geen manier van doen is” en zelfs “dat het zo niet hoort”.

Avans’ komt van de Franse woorden “avance” en “advance” in hun oude betekenis van “winst”, vandaar de betekenis van ‘avans’ als “nut/zin,voordeel”. “Avance” kennen wij vandaag nog in het AN, maar dan vooral in het meervoud in de uitdrukking “avances (maken)”, poging(en) tot toenadering, toenadering zoeken (in de relationele sfeer). In het Peerder dialect kennen we deze uitdrukking niet, of wel?

Aveseren/aveceren’ of ‘affeseren/affeceren’ zijn familie van ‘avans’ en kennen we als werkwoord in ons dialect in de betekenis van “vooruitgaan, vooruitgang boeken”. Het komt van het Franse werkwoord “avancer”, vooruitgaan. ‘En? Avveseert het hei e bitske?’ (En? Gaat het hier een beetje vooruit?)

Onze taal, zowel het dialect als het AN, is doorspekt met woorden uit andere talen. Vroeger was het Frans de hofleverancier, vandaag is dat het Engels. Een woord dat via dezelfde weg en op ongeveer dezelfde manier als ‘avans’ tot bij ons gekomen is, is ‘sjans’ of ‘sjaans’: geluk, toeval … van het Franse woord “chance”. ‘Ene mins moet af en tau es wa sjaans hemme in ze lève, niet?’ (Een mens moet af en toe wat geluk hebben in zijn leven, niet?) ‘Per sjans haa ‘r nog wa geld bij zich om de bus te ko.nne pakke, aners stond ‘r nau nog in Hasselt te koekeloere!’ (Toevallig had hij nog wat geld bij zich om de bus te kunnen nemen, anders stond hij nu nog in Hasselt rond te draaien!). Oh ja, ‘sjars’ hoort ook in dat rijtje thuis, maar dat is al behandeld in deze rubriek!

We komen er later zeker op terug … en als je ondertussen mooie voorbeelden kent van (oude) dialectwoorden uit een vreemde taal … laat ze maar komen. Alvast hartelijk dank. ‘Jeu, en deu tege vechte is toch gienen avans, want alle tale veranere den hielen tijd door …!’ (Ja, en daar tegen vechten heeft toch geen zin, want alle talen veranderen voortdurend!)

Nog meer ‘avans’:

https://www.vlaamswoordenboek.be/definities/term/avaans
https://etymologiebank.nl/trefwoord/avance
https://fr.wiktionary.org/wiki/il_n%E2%80%99y_a_pas_d%E2%80%99avance
https://etymologiebank.nl/trefwoord/avanceren

Eerste publicatie in “Blikveld” nr. 37 van 13 september 2024.

Louis Dingenen