Bakhaus en bakkes

‘Vrigger bakde de minse bekans èlleke wèèk zelf broeëd … in hun èège bakhaus!’ (Vroeger bakten de mens bijna elke week zelf brood … in hun eigen bakhuis!)

Vele Perenaren bakten vroeger wekelijks hun eigen brood … Dat gebeurde in een ‘bakhaus’, o.m. in het Peerder dialect het woord voor (meestal) een apart huisje waarin een bakoven gemetseld was. Varianten in Peer zijn ‘bakhoews’, ‘bakhuis’ en ook ‘bakkes’. Een ‘bakhaus’ werd o.m. om veiligheidsredenen (brandgevaar!) op een eindje van het woonhuis opgetrokken met de ronde koepel van de bakoven aan de buitenkant van het eigenlijke ‘bakhaus’ of ‘bakheiske’ (verkleinwoord). Die oven was uit bakstenen (what’s in a word?) vervaardigd en met leem afgewerkt. De mond van de bakoven bevond zich aan de binnenkant van het bakhuis, op heuphoogte, zodat het samengebonden brandhout, de ‘mètterte / mitterte’ (mutsaards) vlot naar binnen konden gestouwd worden om de oven op temperatuur te brengen. De bodem van de oven was vlak en met een ‘zwoel’, een speciale ovenpaal met platte ovenplaat, ook gekend als ‘broodschieter’, kon (meestal) moeder de broden en soms ook de ‘vlaaie’ (de taarten) in de oven ‘schiete’. De ovendeur ging dan dicht en na een bepaalde tijd en de nodige handelingen was je ‘brieëke gebakke’ (broodje gebakken), letterlijk dan. Als je broodje figuurlijk gebakken is, heb je alles goed voor elkaar en heb je goede vooruitzichten . Oh ja, vóór die oven was er meestal ook nog een schouw waarin je de ‘hespe’ kon ophangen om ze te “roken”. Heerlijk!

In het bakhuis gebeurde overigens nog meer! Het rijmt op bakken … en het stinkt … juist ja, ‘kakke’ (pardon my French!). Het ‘bakheiske’ was ook het ‘kakheiske’ of ‘schijtheiske’, meestal afgekort tot ‘heiske’ (huisje). Enkele brede planken werden tegen elkaar bevestigd met in het midden een “gat op maat van het gat” … van de bezoeker! Gelukkig was er ook een deksel op dat gat en hing er wat kranten- of ander goedkoop papier aan een nagel binnen handbereik. Meestal was het ‘heiske’ tussen de twee varkensstallen gesitueerd die zich ook in het ‘bakheiske’ bevonden, aan weerszijden van het toilet. De bezoeker had dus goed gezelschap om “op zijn gemak” zijn ding te doen en mikte zijn kleine en grote boodschap door het gat in de beerput onder de planken. De urine van de varkens dreef ook  langzaam in de richting van diezelfde put … maar langs de andere kant van de twee muurtjes, natuurlijk! Aan de achterkant van het bakhuisje bevond zich overigens dikwijls de “mesthoop” en was er een deksel om de “beerput” te kunnen ledigen.

In dat bakhuis werd meestal ook nog ander materiaal opgeborgen: steenkolen, hout, gereedschap, soms een wasmachine die ook op hout gestookt werd, een mangel om het water uit de gewassen kleren te persen, de fietsen en zelfs een kleine werkbank …. Kortom, het huisje werd intensief gebruikt en soms was er onder het dak op de dennenhouten balken (de ‘schelft’) plaats voor wat stro of hooi, maar dat was toch erg (brand)gevaarlijk.

Wie letterlijk een groot ‘bakhaus of bakkes’ met een grote ‘ove’ (met varianten ‘hove’, ‘huuve’) had, kon veel brood ineens bakken … en wie figuurlijk een ‘groeëte bakkes’ of een grote ‘(h)oven’ had, had een “grote mond”. Zo iemand heet dan ook een ‘groeëtbakkes’, iemand die gekend is voor zijn grote mond en soms grove taal, ook wel ‘groeëtmaul’ genoemd (grootmuil). Als je iemand ‘op z’n bakkes’ wilde slaan, wilde je die persoon op zijn mond of hoofd slaan of gewoon slaan. Soms kreeg je als instructie van thuis mee om ‘dèèn (h)oven tau te haan’, die ‘oven (= mond) dicht te houden, bv. op school. En “tegen een oven is het moeilijk gapen”, zo leert het spreekwoord dat betekent dat je je moeilijk kan verweren tegen iemand met een grote mond.

Nog een anekdote, echt gebeurd! Bij de bevrijding na WO II was een heel bataljon Engelse soldaten in de wei bij mijn grootvader gelegerd: grootkeuken, onderhoud, bevoorrading, kortom, ze hadden alles bij zich. Mijn grootvader mocht de varkens in het ‘bakhaus’ niet meer voederen, dat zouden de Engelsen wel voor hun rekening nemen! En zo geschiedde. Toen de Engelsen het terrein verlieten, ging grootvader naar de varkens kijken en een van hen had een heel dikke wang … en wat bleek? Dat varken had een lege sardienenblik tussen zijn tanden en wang zitten … van die Engelse keukenpieten! ’t Is nog niet gedaan: als blijk van waardering voor mijn grootvader en zijn gezin, hadden de Engelsen bij hun vertrek de bakoven vol chocolade gestopt … alleen waren ze vergeten dat die nog warm was van het laatste baksel … en alle chocolade was gesmolten … Echt gebeurd, in het ‘bakhaus’ van mijn grootvader!

Meer ‘bakhuis en bakkes’:

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bakhuis_(gebouw)
http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/bakkes
https://www.mot.be/nl/opzoeken/lectuur/spreekwoorden/huishouden

Eerste publicatie in “Blikveld” nr. 39 van 24 september 2021.

Louis Dingenen

Batteklang

‘Haddet al gehieërd? Ze hèèt em met z’nen hiele batteklang oppe streut gegoeid! Eindelijk!’ (Heb je het al gehoord? Ze heeft hem met zijn hebben en houden op straat gegooid! Eindelijk!)

‘Batteklang’ (met varianten ‘batteklan’, ‘battaklang’, ‘pattaklang’, ‘pataklang’, ‘patteklang’ …) betekent in (o.m.) het Peerder dialect “hebben en houden, zootje, bazaar, boeltje, rommel, santenkraam, …”. ‘Batteclang’ (met een c) is een vervorming van het Franse woord “bataclan” dat in het online vertaalwoordenboek Van Dale Frans -Nederlands vertaald wordt als “rommel, santenkraam”.  Er zit ook duidelijk een aspect van “(hoog)dringendheid” in … je moet snel bijeenrapen wat van jou is en wegwezen. Synoniemen in het dialect zouden kunnen zijn ‘santeboetiek’, ‘klitsen en klatsen’, ‘bazaar’ en misschien ken jij er nog wel enkele.

In de voorbeeldzin hierboven zouden we ‘met z’nen hiele batteklang’ in het AN ook kunnen omzetten als “met zijn klikken en klakken” of met “zijn hele rataplan”. ‘Hieël de batteklang’ wordt ook gebruikt op het einde van een opsomming om … “al de rest, al de andere nest …” aan te duiden en wordt dan gebruikt in plaats van het klassieke “etceterea / enzovoort …”. In het Frans zou “bataclan” een klanknabootsing zijn van wat je hoort als allerlei spullen zoals ketels … verplaatst worden of met “donderend geraas naar beneden vallen” zo lees je in https://typischfrans.blogspot.com/2018/06/et-tout-le-bataclan.html

De “Bataclan” of “Ba-ta-clan” is een bekende theaterzaal aan de Parijse Boulevard Voltaire die op 13 november 2015 op een vreselijke manier in de wereldactualiteit kwam toen een terroristisch commando er 89 slachtoffers maakte tijdens een optreden van de “Eagles of Death Metal” die met hun hard rock 1500 fans in de zaal verzameld hadden. Het theater is nadien ongeveer een jaar gesloten geweest. De Bataclan opende voor het eerst zijn deuren in 1865 en kende meteen succes. De naam Bataclan zou verwijzen naar de operette “Ba-ta-clan” van Jacques Offenbach (1819-1880) waarin hij een “brabbeltaaltje” verwerkte om zo de draak te steken met de toenmalige hype om alles wat uit China kwam goed en belangrijk te vinden. Er werd in die operette bv. een personage opgevoerd met de Chinees klinkende naam Fé-Ni-Han, maar de goede luisteraar begreep meteen de spot, want het Franse woord “faitnéant” betekent … “luiaard, nietsnut”! Misschien was die kerel uit de voorbeeldzin hierboven wel zo iemand … een nietsnut … ‘dèè ze met z’nen hiele battaklang eindelijk bautegoeide!’ (die ze met zijn hebben en houden eindelijk buitengooide!)

Meer ‘batteklang’ op:

https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/frans-nederlands/vertaling/bataclan#.X6kQ72hKiUk: http://www.vlaamswoordenboek.be/definities/term/battaklang
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bataclan
https://fr.wiktionary.org/wiki/bataclan
https://www.google.com/maps/@48.8631856,2.3710745,3a,75y,215.51h,80.33t/data=!3m6!1e1!3m4!1s2RqiJ2PKJ0yB4eOyfnveAA!2e0!7i16384!8i8192

Eerste publicatie in “Blikveld” nr. 7 van 12 februari 2021.

Louis Dingenen

Bazaar

‘Wilde ’n oeëre bazaar in oeër kamer es opreime, menneke, … ’t is deu zjust een rommelmèèrret!’ (Wil je je spullen in je kamer eens opruimen, jongen … het is er net een rommelmarkt!)

‘Bazaar’, met variant ‘bezaar’ (met een doffe /e/), is o.m. in het Peerder dialect een verzamelwoord voor allerlei betekenissen. In de voorbeeldzin betekent het “spullen, eigendommen, boeltje …” en het heeft een erg negatieve bijklank, want (de) anderen zijn niet gediend met je ‘bazaar’! Soms kan het zo erg zijn dat die bijbetekenis zelfs hoofdbetekenis wordt zoals in ‘Dè haus waas iene groeëte bazaar!’ (Hun huis was één grote warboel!)

Mogelijke synoniemen in ons dialect zijn ‘santeboetiek’ en ‘nest’: ‘Pakd oeëre nest bien en trapt ‘t aaf!’ (Neem je spullen bijeen en stap op!) De gevoelswaarde van ‘nest’ is nog iets negatiever dan die van ‘bazaar’ en ‘santeboetiek’. Je hoort ook wel eens dat iemand bv. zijn plan moet trekken met zijn ‘bazaar’ en daarmee kan je alle kanten uit: je werk, je opdrachten, je projecten … kortom, alles waarmee je bezig bent of wat je hebt … en waartoe de ander zich niet echt meer aangetrokken voelt. ‘Zèrreg mèr dat ge oeëre bazaar zelf gelieërd krijgt, ich help o.ch nie mieë!’ (Zorg maar dat je je les zelf leert, ik help je niet meer!)

Van Dale geeft drie betekenissen voor “bazar”: overdekte marktplaats, warenhuis en fancy fair. “Overdekte marktplaats” is de oorspronkelijke betekenis van “bazar” dat uit het Perzisch komt en in de 18de eeuw in Europa verspreid geraakte toen het Perzische verhalenboek “Duizend-en-één-nacht” in West-Europese talen vertaald werd, zo lezen we in het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands. “Pazar” is het Turkse woord voor “markt” en overdekte markten zijn erg bekend in de Oosterse landen. In de Arabische wereld heet een markt “souk” of “soug”, en ze verschillen van de “bazar” omdat de “souks” vooral in open lucht georganiseerd worden.

De betekenis “fancy fair” is aan het Engels ontleend en betekent “liefdadigheidsmarkt”, bij ons beter bekend in de vorm van “Vlaamse kermis”, een feest met allerlei activiteiten dat ten voordele van een goed doel georganiseerd wordt … een school, een instelling, een persoon in nood … Zeker in ons dialect kennen we ‘bazaar’ niet in die betekenis!

Wel gebruiken we ‘bazaar’ om een “grote winkel” aan te duiden, al begint de term wat verouderd aan te doen. De bekendste van alle ‘bazaars’, zeker bij de mensen met wat meer levenservaring, is natuurlijk de GB, de Grand Bazar, een Belgische “supermarkt(keten)” met zelfbediening, ontstaan in 1958 en sinds 2000 eigendom van de Franse keten Carrefour. Je vond ze in zowat alle steden en vandaag vind je ze vooral aan de rand van de steden.

Misschien nog dit: verwar “bazar” niet met “Bozar”, het kunstencentrum in het midden van Brussel dat tot 2002 bekend was als het “Paleis voor Schone Kunsten” en in januari 2021 bijna afgebrand is. De nieuwe naam “Bozar” is geïnspireerd door de uitspraak van de Franse benaming “Palais des Beaux-Arts”.

Meer ‘bazaar’:

https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/bazar
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bazaar_(markt)
http://www.vlaamswoordenboek.be/definities/term/bazaar
http://etymologiebank.ivdnt.org/trefwoord/bazaar

Eerste publicatie in “Blikveld” nr. 32 van 6 augustus 2021.

Louis Dingenen

Bèèn

‘Vrigger bède de minse veel mieër as nau en ze gingen ooch nog op bèvert!(Vroeger baden de mensen veel meer dan nu en ze gingen ook nog op bedevaart!)

‘Bèèn’ betekent (o.m.) in het Peerder dialect “bidden” en we kennen nogal wat samenstellingen met het werkwoord ‘bèèn’. In een processie of bij het bidden van het rozenhoedje was er iemand die “moest voorbidden” (‘iemed dèè moes veerbèèn’) en die bv. de eerste helft van het Weesgegroet bad. De anderen “baden na” (‘bèède neu’) en zegden het tweede deel. Als je wat treuzelde, hoorde je dat je moest ‘doorbèèn’ (doorbidden, voortmaken met bidden) en je moest zeker ‘meebèèn’ (meebidden).

Op ‘bèverte’ (bedevaarten), meestal om een gunst (van een heilige) te bekomen, werd heel veel gebeden. In het woord ‘bèvert’ herken je in het eerste deel de ‘bè’ van ‘bèèn’. Bekende bedevaartoorden waren (en zijn) Scherpenheuvel, Banneux, ‘Loerd’ (Lourdes) en dichterbij is Koersel met zijn ‘Kepelleke’ erg bekend. ‘’t Heilig Paterke’ in Hasselt heeft ook veel bedevaarders uit Peer mogen verwelkomen en dan hebben we het nog niet over de plaatselijke kapelletjes in Peer, in grotvorm of gemetseld, hoog in de gevel of in het struikgewas. Iemand van ’t Lin heeft een boek geschreven over de “Kapelletjes van Linde”! En in 2022 zijn de ‘Grotfieësten’ op ’t Lin gevierd. Paste overigens mooi in het Mariajaar in Peer!

Eerste publicatie in “Blikveld” nr. 28 van 15 juli 2022.

Louis Dingenen

Beken

‘Bij ’t minste begint er te beeke, hèè kan nerges tege! Hèè beekde zich bekan een oeëg aut!’ (Bij het minste begint hij te wenen, hij kan nergens tegen! Hij weende zich bijna een oog uit!)

Beeke’ (met de klemtoon op de eerste /e/ en daarom hier /ee/ geschreven) is (o.m.) Peerder dialect voor “wenen, huilen” en we kennen het woord in verscheidene varianten waarvan ‘bieke’, ‘beuke’ en ‘buuke’ bij ons de bekendste zijn. ‘Janke’ en ‘blète’ kennen wij ook, maar ‘beke’ is echt wel tot onze streek beperkt, zo blijkt.

Iemand die veel en snel … en zogezegd “om niets” weent, noemen wij erg onbeleefd en een beetje minachtend wel eens een ‘beekmaul’, een ‘beekbakkes’ of, iets neutraler, ‘’ne beker’.  In lijn daarmee kennen we ook ‘jankers’ en ‘blèters’ …beide woorden met een iets andere gevoelsinhoud en we houden hierbij ook geen rekening met de mogelijke andere betekenis(sen) van ‘janke’ (zoals bv. een wolf) en ‘blète’ (zoals bv. een schaap).

Wanneer een kind verdriet heeft omdat bv. de poes gestorven is en het dus een soort mini-rouwproces doormaakt, dan zit het wel eens ergens afgezonderd te ‘grinse’. Daarmee bedoelt de Peerder dialectspreker dan: stilletjes klaaglijk wenen. “Maar kinderen “wenen” blijkbaar niet, zo meldt iemand die beroepshalve heel veel met kinderen omgaat en ons graag die nuances aanreikt. Kinderen ‘janke’ eigenlijk. En als ze dan publiekelijk en luidop ‘janke’, dan zijn ze aan ’t ‘beke’. Een kind dat frequent ‘beekt’ noemen we ook wel ‘beekbakkes’ en het komt nogal eens voor dat ‘beekbakkesse’ ook ‘groeëtbakkesse’ zijn als iets niet naar hun zin is. Uitkijken dus!”

Toch ook even waarschuwen om de klemtoon bij het lezen altijd op de juiste plaats te leggen: wanneer je leest dat ‘bekende’ artiesten een show voor het goede doel zullen geven, besef dan dat de klemtoon op de tweede /e/ ligt …

Nog een uitsmijtertje: bij de verkiezing van het mooiste dialectwoord van Vlaanderen in 2017 stond het Oost-Vlaamse ‘tsiepmuile’, een huilebalk, op de 7de plaats. ‘ ’t Is om te janke, mè deu waas gien ieë Limburgs dialectwoord bij de ieërste tien!’ (Het is om te janken, maar er was een enkel Limburgs dialectwoord bij de eerste tien!)

Meer ‘beken’:

https://www.mijnwoordenboek.nl/dialect-vertaler.php?woord=wenen
https://etymologiebank.nl/trefwoord/janken
De dialectparels van 2017: https://www.standaard.be/cnt/dmf20171027_03156090

Eerste publicatie in Blikveld nr. 9 van 3 maart 2023.

Louis Dingenen

Belimmelen

‘Wa hadde o.ch nau wieër in oeër haan leute dauwe … jingske, jingske, toch … ge had o.ch wieër leute belimmele!’ (Wat heb je je nu weer in je handen laten duwen … jongen, jongen, toch … je hebt je weer laten bedotten!)

Echt gebeurd: als kind werden we naar de kruidenierswinkel gestuurd en we kregen een winkelbriefje mee, zo ging dat toen. Impulsaankopen? Vergeet het maar! Er stond ook ‘kèès’ op mijn briefje, ‘gesneeë kèès’, 300 gram, de gebruikelijke portie. Toen ik weer thuis kwam met de ‘vlies vol waar’ begon moeder ‘aut te taste’ zoals dat heet(te) en toen ze de kaas zag, schrok ze. ‘Wa hemme ze o.ch nau wieër in oeër haan gedauwd … menneke toch … ge had o.ch leute belimmele!’ Wat had ik fout gedaan? En toen legde moeder uit dat de winkelier mij eigenlijk iets aangesmeerd had ‘wat ‘r nie zeu gedèère hemme as ich er zelf bij geweest waas,’ zei moeder (wat hij niet gedurfd zou hebben als ik er zelf bij geweest was). Wat was er gebeurd? De winkelier had het laatste stuk van de kaas helemaal opgesneden en meegegeven … waardoor er bijna meer kaaskorst dan kaas in het pakje zat! ‘Een echte schaaën!’ zei moeder nog en ‘Tat er wocht!’ (Een echte schande! Dat hij wacht!)

Op dat ogenblik besef je het als kind niet, maar de winkelier had mij eigenlijk liggen gehad, zo bedacht ik zovele jaren later, want dit voorval is mij altijd bijgebleven! Hij had mij bedot, bedrogen, in de/het zak gezet, hij had mij iets aangesmeerd … Al die betekenissen zitten in de Peerder uitdrukking ‘zich leuten belimmele’ die we nog maar zelden meer tegenkomen en dan nog vooral als ‘belummele’. Het aspect “zich laten ompraten of zich iets laten aanpraten” vind je ook terug in ‘belimmele’: ‘Mè, ge gingt toch nie meedoen! Hadde o.ch wieër leute belimmele?’ (Maar, je ging toch niet meedoen! Heb je je weer laten ompraten?)

Het zelfstandig naamwoord ‘limmel’ / ‘lummel’ komt meer voor en heeft de negatieve (bij)betekenis van onnozelaar, sukkel, lomperik. Eigenlijk is het een redelijk zacht scheldwoord. We gebruiken het ook in een zin als: ‘Het scho.lt mèr ‘ne mauzelimmel / hanelimmel!’ waarbij ‘limmel’ staat voor penis(je) van een muis/haan … en de betekenis is duidelijk: het scheelde maar een heel klein beetje! Je kan ook iemand uitschelden voor ‘limmel’, zoals in ‘Ge zijt ‘nen onniezele limmel!’en dan is het duidelijk dat je die persoon echt niet “moet”!

‘Limmele’/ ‘lummele’ kennen we ook in een zin als ‘Hèè stond deu wa te limmele oppe streut, mè hèè stoek giene poeët aut!’ (Hij stond daar wat te lanterfanten op straat, maar hij stak geen hand uit!). ‘Limmele’ betekent hier “rondhangen zonder specifiek doel, lanterfanten, luierend je tijd verdoen …” Ook niet bepaald positief dus!

Het woord zou uit het Duitse komen, lees je in het Limburgs Etymologisch Woordenboek, maar elders lees je dat het begrip uit het kaartspel komt: de “lummel” is de persoon die tijdelijk niet meespeelt, die geen partner heeft. Tja, wat doe je dan … wat ‘limmele’, zeker …

Meer ‘gelimmel’:

https://etymologiebank.nl/trefwoord/lummel; https://etymologiebank.nl/trefwoord/lummelen
https://www.ensie.nl/betekenis/lummel; https://nl.wiktionary.org/wiki/lummel

Eerste publicatie in Blikveld nr. 47 van 17 november 2023.

Louis Dingenen

Beren en geberen

‘Widde gèè wat ‘r met dè geld gebeerd is? Ze haan veel gebeerd, mè ’t geld is eweg, zoemèr, inins!’ (Weet jij wat er met het geld gebeurd is? Ze hadden veel binnengekregen, maar ’t geld is weg, zomaar, ineens!)

Gebeerd’ kan het voltooide deelwoord zijn van het werkwoord dat we in het Peerder dialect kennen als ‘geberen’ … “gebeuren” in het AN. ‘Wa isser gebeerd?’ of ‘Wasser gebeerd?’ betekent: “Wat is er gebeurd?” De ronde /eu/-klank kennen wij in ons dialect niet en wij “ontronden” die in dit geval tot een /ee/. Als de tv-quiz “De Slimste Mens” in het Peerder dialect uitgezonden zou worden, zou de presentator bij het beslissende antwoord zeggen: ‘’t Is gebeerd!’

Daarnaast kennen we ‘gebeerd’ ook als voltooid deelwoord van ons dialectwoord ‘beren’ , een werkwoord dat in het AN “beuren” als tegenhanger heeft: innen, verdienen, geld in ontvangst nemen van iets dat verkocht is, heffen van renten enz. Iemand heeft iets verkocht en wij zijn benieuwd naar de opbrengst. Wij vragen: ‘Wa hèèt er gebeerd?’ (Hoeveel heeft hij ervoor gekregen?) Je kan ook benieuwd zijn naar het loon van iemand en dan vraag je: ‘Wa beert dèè per meund?’ (Hoeveel verdient die per maand?)

Opberen’ kennen wij ook in de zin van “opbeuren, iemand vrolijk maken” en ook ‘verberen’ in de betekenis van “verbeuren, (als straf) verliezen”.

“Ontberen” is AN en betekent “(moeten) missen, niet hebben”, maar kennen wij dat ook zo in het Peerder dialect? Als jij het weet, laat het ons dan ook weten, ok!

Blijkbaar zou er ook een verband zijn tussen ‘beren’ en het werkwoord ‘boeren’ dat wij kennen in een zin als ‘hèè hèèt goed geboerd’. In het AN gebruiken we ook “boeren” in deze zin en betekent “boeren” ten deel vallen, toekomen … en bij uitbreiding: “het goed doen”. Dat we meteen aan landbouwers denken bij “goed boeren” is normaal, maar blijkbaar is dat toch een volks etymologisch verschijnsel: we verklaren de herkomst van een woord door een redelijk voor de hand liggende uitleg … ‘Kan geberen, hè, ve zijn ooch mèr minsen, nie?

Nog meer ‘beren’?

https://etymologiebank.nl/trefwoord/beuren
https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/beuren
https://etymologiebank.nl/trefwoord/opbeuren
https://etymologiebank.nl/trefwoord/verbeuren
https://etymologiebank.nl/trefwoord/ontberen

Eerste publicatie in Blikveld nr. 27 van 7 juli 2023.

Louis Dingenen

We ontvingen deze aanvulling bij ‘beren en geberen’.

Een medewerker van de dialectrubriek laat weten: “In Peer gebruiken wij het woord ‘beren’ ook als de boer zijn mest op de akker uitrijdt: ‘Hèè hèèt wier gebeerd!’, zeggen we dan. De lepel om de beerput leeg te maken noemde men vroeger ‘de beerschepper’ wat we als jongeren in ons “vroeg-Frans” vertaalden als “Lourscreateur”!

En nog een aanvulling:

In plaats van “beerschepper” werd  ook:  “heiskeslepel” gebruikt. In ‘t oud Servietenklooster (aan de kerk) heb ik er vroeger ene gevonden die was gemaakt met een lange stok en een Duitse helm, en die helm was goed bewaard.

Besnieten

De rèkening inne kaffee klopde wieër nie en wie hèèt dè wier ko.nne besniete? Ich moeget hei altijd besniete … dè’s nie ieërlek! (De rekening in het café klopte weer niet en wie is daarvoor kunnen opdraaien? Ik moet het hier altijd ontgelden … dat is niet eerlijk!)

Besniete’ is het tegenovergestelde van “genieten” en betekent dat je moet opdraaien voor iemand anders of iets anders, dat je het moet ontgelden, dat je voor iets moet boeten … waarvan je vindt dat het niet jouw verantwoordelijkheid is. Er zit een wrang gevoelen in ‘besniete’. Een mooie zegswijze, (o.m.) in Peer luidt: “Wat de kop vergeet, moeten de benen besnieten!” wat betekent dat je zelf moet opdraaien voor wat je vergeet.

Nog ‘besnieten’:

https://etymologiebank.nl/trefwoord/besnieten

Eerste publicatie in “Blikveld” nr. 22 van 3 juni 2022.

Louis Dingenen

Boerenrekenraadseltje

Een echt ‘aad boererèèdselke’ (boerenraadseltje) of misschien liever: een telspelletje, speciaal voor de kinderen, om hun kennis van ‘rèkene’ te testen.

‘Ich bin benaut: wie wit dit?’ (Ik ben benieuwd: wie weet/kent dit?) ‘Hieël goed oplètten, hè!’ gaven de ouders vooraf nog als goede raad mee. Ik herinner me dat wij zenuwachtig werden van de spanning … en dan, meestal zo plechtig mogelijk, kwam de vraag, heel traag uitgesproken.

‘Hoeveel isset? E hallef kallef hallef, e hallef kallef hieël en nog e vieërde dieël?’ (Een half kalf half, een half kalf heel en nog een vierde deel?) Wie goed (mee)telt komt uit bij één ‘hieël’ (volledig) kalf!

Eerste publicatie Blikveld nr. 3 van 20 januari 2023.

Louis Dingenen

Bok

‘Bo.kt o.ch toch es en raapt dè bo.k op dè vanne bo.k gevallen is, mè pezop, want dèè bo.k deu innen ho.k, dèè kiekt keud op o.ch! (Buk je toch eens en raap dat boek op dat van de steunbok gevallen is, maar let op, want die bok daar in de hoek, die kijkt boos op jou!)

Je hebt gelijk, de voorbeeldzin klinkt (misschien een heel klein beetje 😊) geforceerd, maar ‘bo.k’ is dan ook een speciaal woord.  ‘Bo.k’ kan in (o.m.) het Peerder dialect in (minstens) acht betekenissen gebruikt worden, nl. boek, ram, koppig persoon, schraag, zitbank van een koets, biersoort, flater en het kan ook de eerste persoon enkelvoud zijn van het werkwoord ‘zich bo.kke’. Waarschijnlijk ken je nog meer betekenissen van ‘bo.k’ … laat ze maar komen! Bij elke betekenis geven we een voorbeeldzin.

‘Ich hem dè bo.k al gelèze: hieël schoeën, hieël spannend!’ (Ik heb dat boek al gelezen, heel mooi, heel spannend!) Enkelvoud: ‘bo.k’, meervoud: ‘bik’, verkleinwoord: ‘bikske’. Ken je de heel oude en nog zelden gebruikte uitdrukking: ‘Ge moogt nie aut oeër bo.k kieke!’ (Je mag niet spieken! Niet uit je boek opkijken!)? Als je ze kent, laat het ons dan ook weten!

Let op met dèè bo.k, want dèè kan hel stoeëten met z’n horesse!’ (Let op met die bok/ram, want die kan hard stoten met zijn horens!) Enkelvoud: ‘bo.k’, meervoud: ‘bo.kke’, verkleinwoord: ‘bo.kske’. Het gaat hier over de letterlijke betekenis van de ‘scheupsbo.k of gèètebo.k’ (mannetjesschaap / mannetjesgeit, schapen- / geitenbok, ram).

De figuurlijke ‘bo.k’ is iemand die ‘bo.kt’ en dus mokt of dwarsligt! ‘Ge moet zoe nie bo.kke, ge moet niet altijd oeër goesting krijgen, hè! Wèèrskop da ge loeëpt!’ (Je moet niet zo mokken, je moet krijgt niet altijd je zin krijgen, hè! Koppigaard!) Als we het in deze context over een ‘bo.k’ hebben, dan gaat het dikwijls over een man, logisch, maar ook vrouwen kunnen ‘bo.kke’. Weet je ook wat een ‘gèrm’ is? ‘Die? Dè’s een echte gèèt … een gèrm … een fleu gèrm!’ (Die? Dat is een echte geit, een ‘geit’, een flauwe geit!) Een ‘gèrm’ of ‘garm’ is, letterlijk, een ooi die nog niet ‘gelamd’ (gelammerd) heeft. Vroeger werd ‘gèrm’ als scheldwoord gebruikt worden voor een meisje “dat snel verongelijkt was”, maar ook voor een “mager meisje”. En als we het hebben over ‘bo.kkepieët’ of ‘bo.kkepieëtekes’ dan hebben we het over de poten van een bok (of van de duivel), maar het kan ook gaan over een heerlijk koekje met amandel dat met de punten in chocolade gedrenkt is.

Als je een plank in (twee) stukken wil zagen, dan is het handig als je ze op ‘e paar bo.kke ko.nt legge, want dan ligt ze goed plat!’ (op een paar schragen kan leggen, want dan ligt ze goed plat). Goede ‘bo.kke’ zijn onmisbaar voor de doe-het-zelver! Enkelvoud: ‘bo.k’, meervoud: ‘bo.kke’, verkleinwoord: ‘bo.kske’. En heb je in de turnles ook ooit over ‘’ne bo.k’ moeten springen? Een “turnbok”, welteverstaan!

In (o.m.) Brugge kun je de stad verkennen met paard en koets. De koetsier zit vooraan op de ‘bo.k’, een zitplaats net achter het paard en vόόr de eigenlijke passagiers. Ook bij ons hebben wij dat soort paardenkoetsen (of: paard én koetsen) gekend, mét ‘bo.k’.

En nau ‘ne goeie Bo.k!’ (En nu een goed bo(c)kbier!) … ‘Bo.k’ of ‘Bo.ck’, zo noemde men vroeger een verkwikkende biertje dat je bv. ‘aan ’t Hameter water’ (Hamont) kon drinken, zo hebben mij Perenaren met veel levenservaring verteld. “Bokbieren” bestaan overigens nog altijd … zie de link hieronder.

Wie een grote fout maakt en een flater begaat, die ‘schiet ‘ne bo.k’ of een “kemel” en voor een jager was een bok schieten iets anders schieten dan bedoeld was.

Tot slot van de voorbeeldenreeks: ‘ich bo.k’ ook ook de eerste persoon enkelvoud zijn van het werkwoord ‘bo.kken’ (koppig zijn) en ‘ich bo.k mich’ komt van ‘zich bo.kke’.

Waarschijnlijk zijn we nog een aantal ‘bo.kke’ vergeten te vermelden. Denk maar aan ‘stinke gelijk ne bo.k’ ,‘enen hieëte of geile bo.k’ en ‘’n aaë bo.k list ooch noch e grieën blèèke’.

Je merkt dat de ene ‘bo.k’ de andere niet is! En dan hebben we het nog niet over ‘de Bo.kt’ in Peer, maar de naam van die streek komt van “beuk”! ‘Ge zeut ‘r en hieël bo.k ever ko.nne schrijven!’ (Je zou er een heel boek over kunnen schrijven!) 

Nog meer ‘bo.kke’

https://etymologiebank.nl/trefwoord/garm
https://etymologiebank.nl/trefwoord/bok1
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bokbier

Eerste publicatie in “Blikveld” nr. 24 van 14 juni 2024.

Louis Dingenen